Telefonisch contact: Groningen/Drenthe: 050-5530945. Friesland: 0513-485656

Blog

    Home / Blog

Blog

Helping Hands houdt een blog bij voor onze hulpverleners over diverse thema’s die je kunt tegenkomen in de praktijk. In elke blog geven we bondige achtergrondinformatie over het thema, geven onze visie en advies en we verwijzen door naar andere verdiepingsmogelijkheden zoals onze orthotheek, externe artikelen of online  scholingsmogelijkheden. Het doel van deze blog is dat je als hulpverlener breed alert blijft en wordt geprikkeld om zelf verder te ‘graven’. De blog is geschreven voor hulpverleners van Helping Hands en dus ook aangepast op de praktijk die zij meemaken, maar natuurlijk ben je als hulpverlener die (nog) niet bij Helping Hands werkt ook welkom om mee te lezen.

Wil je graag meer weten over een bepaald thema? Je kunt je eigen onderwerp aandragen door een mail te sturen aan je contactpersoon.


Augustus 2017 Weten vs. doen

Vanuit de gedachte van de participatiemaatschappij is er veel aandacht voor zelfredzaamheid van burgers.  Ook binnen de WMO is zelfredzaamheid een kernbegrip. Daarbij komen ook begrippen om de hoek als zelfregie, vaardigheden, motivatie en verantwoordelijkheid. Met de focus op deze begrippen, stelt de maatschappij een bepaalde verwachting aan haar burgers. Meedoen in de mate waarin je zelf kunt.

Er bestaat een behoorlijk verschil tussen wat van burgers wordt verwacht en wat zij daadwerkelijk aankunnen. De groep voor wie de eisen soms te hoog gegrepen zijn, is niet beperkt tot de groep ‘kwetsbaren’ zoals mensen met een verstandelijke beperking. Ook mensen met een goede opleiding en een hoge maatschappelijke positie kunnen in situaties verzeild raken waarin hun redzaamheid ontoereikend is, zeker bij tegenslagen. Dat is niet omdat hun intelligentie of kennis tekortschiet, of omdat zij niet weten wat er van hen wordt verwacht en hoe zij dat in theorie zouden kunnen organiseren (denkvermogen), maar omdat er een beroep wordt gedaan op allerlei andere mentale vermogens, zoals het vermogen om in actie te komen, om het hoofd voldoende koel te houden, en om vast te houden aan goede voornemens. Deze vermogens noemt de Wetenschapperlijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het ‘doenvermogen’. Dit voorjaar publiceerde de WRR  het rapport ‘Weten is nog geen doen‘, waarin wordt uitgelegd dat zowel het denk- als het doenvermogen belangrijk is voor de zelfredzaamheid. Ook wordt gesteld dat hier binnen de gezondheidszorg nog niet altijd rekening mee wordt gehouden, terwijl dit een belangrijke sleutel kan zijn tot vooruitgang bij een cliënt. Dan volgt automatisch de vraag: hoe kan je hier dan rekening mee houden?

Doenvermogen
Het doenvermogen is dus het algemene vermogen om in actie te komen en alles wat daarbij komt kijken: in staat zijn om voornemens vast te houden, omgaan met tegenslagen, problemen aanpakken, plannen maken, hieraan beginnen, dit vasthouden ondanks verleidingen en tegenslagen. In het dagelijks leven duiden we dit vaak aan met ‘persoonlijkheid’ of ‘karakter’.
Aan de basis van dit doenvermogen liggen een drietal persoonskenmerken:
Temperament
Zie je stressoren onder ogen en pak je ze aan? Of ben je eerder geneigd om stressoren te ontkennen en vermijden? Wanneer iemand eerder vermijdend is, zal het vasthouden van plannen bij tegenslagen moeilijker zijn, waardoor doelen en plannen niet altijd gerealiseerd worden.
Zelfcontrole
Ten tweede is er een verband met het vermogen tot zelfcontrole. Dit is het vermogen om dominante gedragsneigingen te veranderen of te onderdrukken en emoties en gedachten te reguleren. Zelfcontrole is erg belangrijk voor de zelfredzaamheid om mogelijke problemen voor later te voorkomen.
Overtuiging
Ten derde is er een verband met overtuigingen. De één is optimistisch ingesteld en kijkt hoopvol naar de toekomst, de ander voelt zich sneller machteloos en vervalt eerder tot passiviteit. De overtuigingen die iemand heeft over zichzelf, anderen en het leven, hebben invloed om het realiseren van plannen en doelen. Hoewel optimistische overtuigingen over het algemeen positief bijdragen aan het doenvermogen, kan een teveel aan optimisme en zelfvertrouwen juist tegenwerken als het ertoe leidt dat men problemen niet onder ogen ziet of negeert.

Ingewikkeld
Onderzoek laat zien dat het doenvermogen afneemt bij mensen die langdurig problemen hebben in het dagelijks leven. Er is bij hen meer passitiviteit, ondanks de wens om de situatie te veranderen. En vaak is er in zulke situaties juist extra actie nodig. Denk eens aan een schulden. De druk en stress neemt vaak alleen maar toe waardoor het doenvermogen minder wordt.  Belangrijk om je hiervan bewust te zijn als hulpverlener.
Heb je te maken met iemand met een (tijdelijk) verminderd doenvermogen, kan het behulpzaam zijn om te zien waar een (tijdelijke) ontlasting ingezet kan worden, om de druk op het doenvermogen te laten afnemen. Verder kan het aanbrengen van overzicht in bepaalde situaties bijdragen.

Trainbaarheid van doenvermogen
Het denkvermogen wordt voornamelijk gevormd door intellectuele vermogens zoals de juiste kennis, intelligentie en cognitie. Dit geeft iemand het vermogen om na te denken over zijn situatie en zijn toekomst, over wat hij hierin wil en wat hier goed voor zou zijn. Het denkvermogen vergroten is lastig, maar hier valt in te zetten op het vergroten van kennis rondom bepaalde onderwerpen en aanpakken, en het bespreken van doelen, wensen en verwachtingen. Over de mogelijkheid om het doenvermogen te trainen is nog niet veel bekend, maar het onderzoek dat er is geeft nog geen aanleiding tot grote verwachtingen. Zo is iemands temperament lastig te veranderen, zo niet onmogelijk. Overtuigingen zijn beter veranderbaar, maar het is nog niet vastgesteld of het trainingseffect ook doorwerkt op andere gebieden. Zelfcontrole is in theorie het meest efficiënte aangrijpingspunt, maar onderzoek laat ook hierin niet veel resultaten zien, en het is de vraag in hoeverre die blijvend zijn. Voor praktische methoden om zelfcontrole en -discipline te vergroten valt te denken aan oefening (discipline is te vergelijken met ‘spierkracht’ die te trainen is), beloningssystemen, in te steken op gewoontes en het niet aan laten komen op je wilskracht – die lang niet zo groot is als hoe we er vaak over praten. Verder bevordert een goede relatie tussen ouders en hun kinderen, het stellen van grenzen en ouderlijk toezicht de zelfcontrole bij kinderen.

Bij de begeleiding van iemand met een lager doenvermogen is het goed om in te zetten op:

  • Het samen bespreken van de doelen en vooral van de praktische uitvoering hiervan: wat zijn de eerste concrete stappen voor de komende dag/week/weken? Laagdrempeligheid en het werken met SMART-geformuleerde doelen is belangrijk hierin.
  • Het werken met beloningen klinkt simpel, maar is een goed onderzochte interventie. Laat de cliënt nadenken over een passende beloning die aan het doel gekoppeld kan worden, iets wat de cliënt belangrijk of leuk vindt.
  • Het bijhouden van gedrag: wanneer is het gelukt om de afspraken uit te voeren, en wanneer niet? Hoe kwam dat? Wat kan je hiervan leren?
  • Regelmatig contact houden met de cliënt over de voortgang, eventueel ook buiten de contactmomenten.
  • Leg de focus op het leerproces en niet of ‘falen of slagen’.
  • Het bespreken van tegenslagen: wat gebeurde er precies bij je na deze tegenslag, hoe kan je je hier tegen wapenen?
  • Nadruk leggen op de relatie tussen oorzaak-gevolg in het gedrag van de cliënt en zijn omstandigheden
  • Aandacht hebben voor belemmerende en helpende overtuigingen van de cliënt, het vergroten van het zelfvertrouwen
  • Aandacht voor stressmanagement. Welke stressoren kunnen worden weggenomen en hoe gaat de cliënt om met hetgeen aanwezig zal blijven?  Wat kunnen strategieën hiervoor zijn?
  • Het sociale netwerk inschakelen: wie kan er fungeren als een buddy voor dit doel? (in het Engels vaak aangeduid een met accountability-partner) Iemand die de cliënt ondersteunt en helpt in lastige situaties.
  • Neem de tijd voor gedragsverandering, schep realistische verwachtingen.

Meer weten over het stellen en behalen van doelen en over gedragsverandering? Gedragswetenschapper/auteur Ben Tiggelaar heeft breed wetenschappelijk onderzoek rondom dit thema bekeken en gebundeld in zijn boek ‘Dit wordt jouw jaar’. Hierin beschrijft hij wat bekend is over strategieën voor gedragsverandering, en hoe men hierin richting kan bepalen.


Juli 2017 Werken vanuit de zorgdriehoek

In wat voor gezin een kind ook wordt geboren, elk kind heeft een bepaald systeem om zich heen; het eigen vaste netwerk van relaties. Vaak bestaat dit systeem uit een systeem van een ouder(s), kind(eren) en eventuele andere betrokkenen bij het gezin. Zo’n gezinssysteem heeft eigen communicatiepatronen en andere gewoontes. De ambulant hulpverlener krijgt heel concreet te maken met dit systeem. Wanneer de  hulpverlener het gezin begeleidt is het systeem heel duidelijk. Maar ook bij de individuele begeleiding van een kind of een volwassen cliënt is er in de meeste gevallen sprake van een systeem. De rol van de begeleider hierin kan verschillen van intensieve begeleiding tot praktische ondersteuning ter ontlasten van het systeem.

De ambulant hulpverlener wordt dus als het ware tijdelijk onderdeel van een zorgdriehoek, wat bestaat uit de cliënt, de ouder/partner/andere familie en de hulpverlener. Een goede samenwerking in deze driehoek is belangrijk van de kwaliteit van de hulpverlening.

De cliënt vormt de top van de driehoek en de hulpverlener en de ouders/familie staan aan de basis. Wanneer de basis solide is kan de kan de top zich goed ontplooien. Een goede communicatie en afstemming tussen de verschillende partijen is hiervoor van wezenlijk belang. De afstemming kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo kan er worden gekeken naar bepaalde taken en verantwoordelijkheden die verdeeld kunnen worden bij de hulpverlener en de familie.

Rollen in de driehoek
Het binnenkomen in een bestaande situatie als hulpverlener, kan tot spanningen leiden. Want wie weet nu het beste wat goed is voor de cliënt? Hulpverleners vinden het soms lastig hun rol in het geheel neer te zetten. Hieronder staat beknopt vermeldt wat de rollen en activiteiten kunnen zijn per positie in de driehoek. Belangrijk hierbij te vermelden dat het wegzetten van de rollen altijd een kwestie van gesprek is.

Cliënt

  • De cliënt voert zo veel mogelijk zelf de regie over de zorg en ondersteuning – uiteraard afhankelijk van de situatie.

De hulpverlener

  • ondersteunt de cliënt en bevordert diens zelfregie
  • brengt het netwerk in kaart en stimuleert de cliënt om hulpbronnen aan te boren, voegt zich tijdelijk ook bij het netwerk
  •  ondersteunt en versterkt het netwerk, bevordert de samenwerking tussen cliënt en netwerk
  • stemt af over behoeften, successen en zorgen
  • Wegzetten wie wat doet en welke verantwoordelijkheden heeft
  • Neemt taken over wanneer het nodig is (het de familie te veel wordt)

Ouders/familie

  • zijn in eerste instantie familielid en hebben een persoonlijke relatie met de cliënt.
  • zijn expert, hebben veel kennis over de cliënt
  • zijn partner in de ondersteuning
  • kunnen door een (toenemende) draaglast ook hulpvrager worden

 Voor een goede samenwerking met elkaar is het van belang dat iedereen elkaars rol erkent. Zo is het van het van belang om de verantwoordelijkheden duidelijk te verdelen en dit bijvoorbeeld weg te zetten in het ondersteuningsplan.

Tips constructief samenwerken in de driehoek

  • Neem niets uit handen wat al goed loopt
  • Zorg dat de betrokkenheid van familie bij het eerste gesprek al een onderwerp van gesprek is.
  • Laat cliënt en familie zelf eigenaar blijven van hun vraag. Vraag hoe zij de zorg willen invullen en wat ieders rol zou kunnen zijn.
  • Reflecteer regelmatig: Neem ik te veel over? Wie is verantwoordelijk?
  • Betrek familieleden, geef hen invloed, gebruik de expertise van de familie. Zij zijn deskundigen bij uitstek omdat zij de gewoonten en voorkeuren van de cliënt kennen.
  • Schroom echter niet om hen ook te adviseren vanuit jouw kennis en ervaring.
  • Besef dat jij als hulpverlener slechts passant bent in het leven van de cliënt, de band die er is met de familie is van blijvende aard.

Wil je je weer/verder verdiepen in het thema van sociale netwerken in kaart brengen/versterken? Lees dan verder op deze pagina van het Kennisplein gehandicaptensector en  bekijk deze publicatie van het Nederlands jeugdinstituut.Wil je verder praten over dit onderwerp? Bezoek dan onze Discussieruimte voor medewerkers op LinkedIn.

 


Juni 2017 Begeleiden bij financiële problemen

Sinds de economische crisis is de armoede in Nederland met ruim een derde gegroeid en hebben gemiddeld 1 op de 5 Nederlanders te maken met problematische schulden. Dit zijn zorgwekkende  aantallen en daarom belangrijk om je bewust te zijn dat de kans aanwezig is dat je te maken krijgt met mensen die in deze situatie verkeren. Mensen lukt het niet altijd om op eigen kracht uit de  financiële problemen te komen maar het vragen van hulp is vaak lastig omdat er een taboe ligt op het onderwerp. Wellicht heb je NPO serie ‘Schuldig’ gezien waarin mensen met financiële problemen werden gevolgd.  Hier was duidelijk te zien dat de problemen vaak samenhangen met veel andere problemen. Als je deze serie wilt terugzien kan dat door hier te klikken.

 

Oorzaken van financiële problemen
Het ontstaan van financiële problemen  kent verschillende oorzaken. Hieronder staan een aantal van de meest voorkomende oorzaken beschreven.

– Budgetaire oorzaken: Een budgetaire oorzaak kan bijvoorbeeld zijn het terugdringen van het inkomen door bijvoorbeeld ontslag of uitkering of het ontstaan van grotere uitgaven voor bijvoorbeeld  de ziektekosten. Ook het niet in staat zijn zelf het budget te beheren is een budgetaire oorzaak.
– Verandering levensfase: Door de verandering van de levensfase waar je je in bevindt kun je ook te maken krijgen met veranderingen op financieel gebied te denken aan het krijgen van een kind, studeren of een echtscheiding. Maar ook het bereiken van de leeftijd van 18 jaar waarin er ineens meer (financiële) verantwoordelijkheden ontstaan.
– Psychosociaal: Als psychosociale oorzaak kan gedacht worden aan het gebrek aan weerbaarheid van de persoon in kwestie, de invloed van een slechte relatie, gebrek probleemoplossend vermogen of inzicht
– Persoonskenmerken: De oorzaak kan ook liggen in de persoonskenmerken zoals bijvoorbeeld impulsiviteit, ongeordend, geen financiële opvoeding  korte termijn denken en administratie niet op orde.

Signalen die kunnen duiden op financiële problemen
Het vroegtijdig herkennen van financiële problemen kan veel ellende voorkomen. Om op tijd actie te kunnen ondernemen kan het helpen om alert te zijn op signalen die zouden kunnen wijzen op financiële problemen. Een aantal van de signalen zijn hieronder beschreven:

  • Regelmatig niet kunnen pinnen
  • Vaak gebruik van creditcard
  • Regelmatig kopen bij een postorderbedrijf
  • Rekeningen niet op tijd betalen
  • Vaak rood staan
  • Achterstand met de huur en/of energie
  • Iedere maand is het geld (snel) op
  • Het ene gat wordt met het andere gevuld
  • Voorschot op salaris of vakantiegeld vragen
  • Graag over- of extra willen werken
  • Administratie is niet op orde
  • Er komt post van een deurwaarder of incassobureau
  • Niet weten wat er maandelijks binnenkomt of betaald moet worden
  • Niet kunnen sparen
  • Ruzie maken over geld
  • Geld vragen aan / lenen van familie, vrienden
  • Zich schamen over de schulden, contact vermijden
  • Niet over geldproblemen durven praten
  • Slaapproblemen van de geldzorgen
  • Hopen op het winnen van een prijs in de loterij om schulden af te lossen
  • Verslaving
  • Vaak ziek zijn of zich ziek voelen

Begeleiden bij financiële problemen
Online e-learning
In de online module ‘Signaleren en begeleiden bij financiële problemen’ van Movisie leer je hoe je schuldenproblematiek kunt herkennen en wat belangrijk is in het begeleidingsproces. Ook leer je met welke organisaties je kunt samenwerken en waar je naar kunt doorverwijzen. Je gaat aan de slag met casussen en gerichte opdrachten. Aan het eind weet je de tips toe te passen in de praktijk. De module is ontwikkeld voor sociale wijkteams maar ook voor begeleiders binnen Helping Hands is deze zeer nuttig.  Je kunt de e-learning module volgen door je gratis  te registeren op de website van Movisie.

‘Zelf je schulden regelen’ van het NIBUD
De website Zelf je schulden regelen  van het NIBUD biedt hulp bij het aanpakken van schulden in vijf stappen. Zo kun je een overzicht maken van schulden en kun je inzichtelijk maken welk bedrag je zou kunnen aflossen. Verder helpt de site keuzes te maken  voor zijn of haar begroting. Verder helpt het een betaalplan op te stellen.

Quickscan 
Met de quickscan van ‘zelf je schulden regelen’ kan iemand inschatten of deze wesite voor hem geschikt is. Voor sommigen zijn de aanwezige problemen wellicht te groot. Voor hen biedt de site verwijzingen naar instanties die hulp kunnen bieden, zoals de schuldhulpverlening. Diegenen die nog geen grote schulden hebben, worden doorverwezen naar Nibud.nl voor hulp om meer grip op hun financiën te krijgen.

 


Mei 2017 Mindfulness als interventie in de hulpverlening

Mindfulness heeft lange tijd een wat zweverig imago gehad. Het werd voornamelijk geassocieerd met yoga en spiritualiteit. Inmiddels is mindfulness breed gedragen binnen verschillende takken van de hulpverlening. Zie bijvoorbeeld de training van Lentis (GGZ Groningen) die wordt ingezet als behandeling. Wetenschappelijk onderzoek onder verschillende populaties laat zien dat mindfulness bewezen effectief is bij klachten zoals stress, angst en concentratieproblemen. Dit zijn klachten die onze hulpverleners ook in de praktijk terugzien. Het inzetten van mindfulness(oefeningen) kan een mooie toevoeging zijn op de interventies die al worden ingezet. Door middel van deze blog willen we dit onder jullie aandacht brengen en een aantal handvaten meegeven voor in de begeleiding.

Wat is mindfulness?
Mindfulness is leven met volle aandacht. Het is bewuste aandacht voor het hier en nu, in plaats van blijven piekeren over het verleden of de toekomst. Het is bewustwording van je eigen gevoel en behoeften.  Hoewel meditatie als oefening veel wordt gebruikt is mindfulness meer een fundamentele basishouding, een manier waarop een persoon naar zichzelf en de wereld kijkt. Jon Kabat-Zinn, één van de grondleggers, omschrijft het als volgt: ‘Mindfulness is op een speciale manier oplettend zijn: bewust aanwezig zijn in het hier en nu, zonder te oordelen’. Dit leert om bewuster te worden van wat je voelt, vindt en denkt op dat moment, en hier op een ontspannen manier mee om te gaan. Kinderen met aandachtsproblemen kunnen zich bijvoorbeeld beter bewust worden van de eigen stress, de mate en snelheid waarin ze worden afgeleid, hun woede et cetera. Daardoor kunnen zij hier bewuster en adequater op reageren.

Evidence-based
Het effect van mindfulness(interventies) is in de afgelopen decennia uitgebreid onderzocht. Hieruit blijkt dat  mindfulness voor een hogere kwaliteit van leven zorgt en positieve veranderingen teweeg brengt in cognitief en neurobiologisch functioneren. Het effect van mindfulness is voornamelijk bij volwassenen onderzocht. Pas in het laatste decennium is er ook bredere aandacht voor het effect bij kinderen. Uit deze onderzoeken blijkt dat kinderen hier ook veel baat bij kunnen hebben. Een onderzoek van Bögels en collega’s (2008) heeft aangetoond dat kinderen met externaliserende stoornissen na de inzet van mindfulness een verbetering lieten zien in aandacht, blijdschap en bewustzijn. De ouders van deze kinderen gaven aan dat de kinderen meer zelfcontrole hadden, zich minder terugtrokken en meer rekening hielden met anderen. Ook is duidelijk dat mindfulnesstraining bij ouders van kinderen met verschillende (gedrags)problemen positief kan bijdragen (van Singh 2014, Bögels 2008). Zie ook onderzoeken van Semple en collega’s (2005) en van  Harrison, Manocha en Rubia (2004). UvA Minds -specialistisch behandelcentrum GGZ verbonden aan de Universiteit van Amsterdam- heeft evidence based interventie ‘Mindful Parenting’ ontwikkeld. Het Nederlands Jeugdinstituut is momenteel aan het onderzoeken of dit kan worden opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies. Bekijk hier alle publicaties van Uva Minds.

Voor wie is mindfulness geschikt?
Mindfulness is geschikt voor iedereen, met of zonder problemen in het dagelijks leven. Iedereen kan baat hebben bij een (zelf)bewuste houding. Daarnaast tonen verschillende onderzoeken aan dat mindfulness positieve veranderingen teweeg brengt bij een grote hoeveelheid verschillende psychische stoornissen en medische condities zoals stemmingsklachten, gedragsproblemen, verwerkingsproblemen, pijnklachten en ADHD. In Nederland is aangetoond dat mindfulnesstraining bij jongeren met ADHD en hun ouders kan leiden tot flinke vermindering van gedragsproblemen, impulsiviteit en een verbetering van de aandacht en concentratie (van der Oord en collega’s, 2011). Het toepassen van mindfulness-oefeningen het dagelijks leven kan zorgen voor een verbetering van de concentratie, het zelfvertrouwen en een vermindering van angst en stress.

Toepassing in de begeleiding: ‘mindful houding’ en oefeningen
Mindfulness is een aandachtsoefening. Om je zonder oordeel te richten op je eigen gevoel, gedachten en gedrag zijn er vijf vaardigheden om je aandacht op te richten: benoemen (woorden kunnen geven aan innerlijke ervaringen), opmerkzaam handelen (het uitvoeren van handelingen met actieve aandacht), niet-oordelen (de afwezigheid van positief of negatief commentaar op gedachten of gevoelens), niet-reageren (het toelaten van wat je ervaart zonder te reageren op de automatische piloot) en het observeren (je bewust blijven van ervaringen, ook al zijn ze onaangenaam of pijnlijk). Deze vaardigheden zijn te ontwikkelen door ze veelvuldig te oefenen. Dit kan je letterlijk toepassen in de begeleiding door dit in gesprekken steeds terug te laten komen; wanneer je merkt dat de cliënt zichzelf of zijn gevoel/behoefte veroordeelt, kan je hem/haar hiervan bewust maken. Benoem het gevolg van een constante (be)oordeling van zichzelf en van de omgeving. Leer de cliënt steeds meer naar zichzelf te kijken met nieuwsgierigheid in plaats van een oordeel.

Om deze houding te stimuleren kan je de focus in de begeleiding leggen op o.a.:

  • leren kijken naar jezelf (gevoel, gedachten, gedrag) zonder direct oordeel. Met een nieuwsgierige blik naar jezelf kijken
  • leren luisteren naar je behoeften (zonder oordeel) en daar actie aan verbinden
  • accepteren van omstandigheden waar je niets aan kunt veranderen
  • focus hebben; kiezen waar je je aandacht aan besteedt en daar met al je aandacht mee bezig zijn
  • Bewustere keuzes maken door meer focus en algehele bewustzijn. Meer leven met intentie in plaats van je laten leiden door de waan van de dag of door impulsen
  • leer leven in het moment in plaats van piekeren over de toekomst

 

Past deze houding goed bij je cliënt en wil je meer concrete oefeningen toepassen? Dan zijn er verschillende opties:

  • ga eens neuzen op het internet, er zijn veel oefeningen te vinden via Google en YouTube.  Een voorbeeld vind je hier.
  • op de smartphone of tablet zijn veel apps te vinden die helpen met oefeningen. Een voorbeeld is de gratis app ‘Aware’, waarmee je dagelijks 10 minuten gaat mediteren en verschillende andere oefeningen kunt doen om een meer bewuste houding aan te leren. Te vinden in de PlayStore/ App Store.
  • wil de cliënt verder dan losse oefeningen, er zijn verschillende online programma’s en trainingen te vinden. Lentis biedt online een gratis anoniem mindfulness-programma aan voor volwassenen. Aan de hand van instructiefilmpjes wordt uitleg gegeven over het uitvoeren van verschillende oefeningen die men thuis kan doen.
  • ook worden er via zorginstellingen zoals GGZ verscheidene cursussen en trainingen aangeboden in de vorm van behandeling, bijvoorbeeld bij stress- of angstklachten. Behandeling en begeleiding kunnen op elkaar aansluiten in de hulpverlening. In de behandeling leert de cliënt hoe hij deze oefeningen kan uitvoeren, en in de begeleiding leert hij deze toe te passen in het dagelijks leven.  Verschillende zorgverzekeraars vergoeden het volgen van deze cursussen, dus het is de moeite waard om te onderzoeken. Let hierbij wel op de certificering van de organisatie en laat de cliënt van tevoren informeren bij de verzekeraar.

Mindfulness voor kinderen
Om kinderen te helpen een bewustere houding aan te nemen zijn er verschillende middelen om in te zetten:

Boeken
Een aantal geschikte boeken om mindfulness te introduceren aan kinderen, met oefen-CD’s: Stilzitten als een kikker (met cd) van Eline Snel (5-12 jr) & Mindfulness voor je kids (met cd) van David Dewulf (4-8 jr).

Oefeningen
Onderstaande spelletjes en oefeningen dragen op een laagdrempelige manier bij aan een mindful houding. 

Het spel: ‘Opletten’
Benoem alles wat je ziet, hoort, voelt, ruikt en proeft. Dit spel kan worden toegepast op alle mogelijke plekken. Denk bijvoorbeeld aan een wandeling, in de auto, op de fiets, in de tuin of in de woonkamer. Dit spel richt te aandacht op de zintuigen en het bewust aanwezig zijn in dit moment. Als ouder of begeleider moet je het kind soms even op weg helpen door voorbeelden te geven of vragen te stellen. Als het kind een snoepje eet bijvoorbeeld: ‘Wat proef je?’ ‘Wat voel je in je mond?’ ‘Wat ruik je?’. Door bewust stil te staan bij gewaarwordingen die anders zo vanzelfsprekend zijn, stap je af van de automatische piloot.

Het weerbericht van binnen
Je presenteert het innerlijke weerbericht: is het zonnig van binnen, bewolkt, of stormt het? En wat heeft dat veroorzaakt? Je staat even stil bij hoe de dag/week is geweest en hoe ze zich op dit moment voelen. Door deze je structureel toe te passen in zowel de begeleiding als het meegeven van de oefening aan de ouders om bijvoorbeeld aan het einde van de dag toe te passen.

Zo stil als een kikker
Ga zo stil zitten als een kikker. Bijvoorbeeld bij het beluisteren van een bodyscan of een andere meditatie (YouTube). Probeer eventjes helemaal niets te bewegen. Na deze oefening voel je je meer ontspannen.

Wij zijn benieuwd naar de eerste ervaringen hiermee.

 

 

 

April 2017 Middelengebruik jongeren

Jongeren (12-24 jaar) worden al vroeg geconfronteerd met verschillende drugs en alcohol. In de media zien en horen zij hier veel over en in de praktijk kunnen zij hier relatief gemakkelijk en al op jonge leeftijd aankomen. Middelengebruik hoeft niet in alle gevallen problematisch te zijn. Wel is het goed om te weten wat risicosignalen zijn en hoe je als jongerenbegeleider hen hierin kunt begeleiden.

Jongeren zitten zowel lichamelijk als psychisch in een kwetsbare fase. Dat betekent dat het gebruik van middelen bij hen veel eerder riskant is dan bij volwassenen. Ook kunnen zij sneller afhankelijk raken. Verder is  middelengebruik bij jongeren die te maken hebben met jeugdhulp sneller riskant, dus extra reden om als hulpverlener goed alert te zijn.
Bij het spreken over middelen hebben we het over alcohol, softdrugs (hasj & wiet) en harddrugs (XTC, Amfetamines (speed), cocaïne, paddo’s, heroïne).

Verhoogd risico op afhankelijkheid
Er zijn verschillende groepen jongeren die een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van een verslaving (geestelijk) of afhankelijkheid (lichamelijk). Wanneer er één of meerdere risicofactoren aanwezig zijn is het raadzaam extra alert te zijn.  Een aantal van deze factoren zijn:

  • gebrekkige zelfcontrole en impulsiviteit
  • oppositioneel opstandig of antisociaal gedrag
  • psychische problemen zoals angst, traumatisering en depressie
  • (lichte) verstandelijke beperking
  • op jonge leeftijd (aan het begin van de adolescentie of eerder) gestart zijn met roken
  • multiprobleemgezin
  • verslaafde gezinsleden
  • leeftijdgenoten die middelen gebruiken
  • contact hebben (gehad) met institutionele zorg
  • schoolgerelateerde problemen
  • armoede
  • gebrekkige sociale controle
  • negatieve life-events (verhuizing, scheiding, verlies van ouder enzovoort)


Hulp/ begeleiding
Juist omdat jongeren over het algemeen vaker dan volwassenen te maken krijgen met drugs en alcohol, is het in de begeleiding goed om het gebruik van middelen sowieso een onderwerp van gesprek te maken/houden. Ook wanneer er geen problemen of risico’s zijn in het gebruik. Hieronder een aantal algemene tips:

  • Besprek middelengebruik structureel en vanaf de beginfase van de begeleiding.
  • Inventariseer het middelengebruik van de jongere om een goed beeld te krijgen van het gebruik. Hiervoor kun je gebruik maken van het Helping Hands-protocol ‘Signaleren risicovol middelengebruik’.
  • Ga standaard met ouders in gesprek over middelengebruik, ook als hun kind (nog) niet in aanraking is gekomen met middelen.
  • Ondersteun ouders in het signaleren van middelengebruik en de omgang hiermee.
  • Leer ouders gespreksvaardigheden om middelengebruik op een open en niet-veroordelende manier ter sprake te brengen.

Wanneer er een vermoeden is van risicovol middelengebruik is het zaak het signaal te bespreken met de jongere en het gebruik uit te vragen om het vermoeden van risicovol middelengebruik te bevestigen of te ontkrachten.

Houding in het gesprek over middelen
In gesprek met de jongere over (een vermoeden van) middelengebruik is een open, eerlijke en niet-veroordelende houding belangrijk om de kans op weerstand te verkleinen. Ga in gesprek op een niet-moraliserende en informele toon. Over het algemeen waarderen jongeren persoonlijke aandacht en oprechte interesse. De uitdaging ligt erin een goed evenwicht te vinden tussen een professionele houding en een houding die aansluit bij de leefwereld van de jongere. Vraag ook heel doelgericht naar het middelengebruik, probeer het onderwerp niet via allerlei omwegen te bereiken. Geef aan dat de jongere zelf verantwoordelijk is voor zijn/haar gedrag, maar behoud tegelijkertijd een proactieve houding. Jongeren hebben over het algemeen weinig probleembesef wanneer het om hun eigen middelengebruik gaat. Gebruik het woord en vermijd de termen misbruik, afhankelijkheid en verslaving; dit kan weerstand oproepen. Bovendien zijn deze begrippen niet zomaar op bepaald gedrag te plakken.
Wanneer je als verpleegkundige, verzorgende of huishoudelijke hulp bij een gezin met jongeren werkt, heb je waarschijnlijk niet zozeer direct contact met hen over dit onderwerp. Dan is het goed om voornamelijk te signaleren op risico’s en het gesprek – als dat er is – laagdrempelig te houden. Eventueel kan je wel inventariseren hoe de jongere en hun ouders hierin staan.

Preventieve maatregelen
Er zijn een aantal programma’s ontwikkeld die ingezet kunnen worden als preventieve maatregelen om te voorkomen dat risicovol middelengebruik overgaat tot misbruik. Deze maatregelen kunnen ook al eerder worden ingezet, wanneer er geen sprake is van risicovol gebruik.

  • De WietCheck is ontwikkeld om mensen die af en toe of regelmatig cannabis gebruiken, te voorzien van informatie en advies. De adviezen worden geformuleerd op basis van gegeven antwoorden en zijn gebaseerd op de huidige wetenschappelijke inzichten.
  • Bekijk ’t Nuchter is ontwikkeld om jongeren en volwassenen met een lichte verstandelijke beperking te informeren over alcohol- en cannabisgebruik, ze bewuster te maken van hun eigen alcohol- en cannabisgebruik en ze te verwijzen naar informatie, advies en hulp. Bekijkhetnuchter.nl is onderdeel van het preventieprogramma Open en Alert van het Trimbos-instituut.
  • De ‘Zonder Flauwekul-brochures’ zijn bedoeld als preventief voorlichtingsmateriaal voor jongeren tussen 17 en 23 jaar. Ze zijn zeer toegankelijk geschreven en daardoor ook geschikt voor jongeren met een licht verstandelijke beperking. De brochures bespreken verantwoord gebruik van alcohol, hasj & wiet, XTC, cocaïne en speed. Er wordt nadrukkelijk ingegaan op de risico’s en de invloed van anderen op gebruik.  De brochures zijn op te vragen bij je contactpersoon.

Andere nuttige websites
Er kan samen met of door de jongere gekeken worden naar de volgende websites. Hier is informatie te vinden over verschillende middelen.

Protocol risicovol middelengebruik
Twijfel je of het middelengebruik van jouw cliënt risicovol of misschien zelfs zorgwekkend is? Raadpleeg dan het Helping Hands protocol voor risicovol middelengebruik. Deze kun je opvragen bij jouw contactpersoon.

 

 

Maart 2017 (Ondersteuning bij) mediaopvoeding

Televisie, internet en andere media spelen een steeds grotere rol in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Media kunnen het leren ondersteunen, maar brengen ook risico’s met zich mee. Begeleiding door ouders of verzorgers is daarom van groot belang, zodat kinderen leren om bewust om te gaan met de media.

De media zijn de laatste jaren volop in ontwikkeling en hebben ook daarom een steeds grotere rol in ons leven. Denk aan het internet via bijvoorbeeld een smartphone, tablet of computer, en films/series die steeds toegankelijker zijn via Netflix. Deze media hebben hele leuke, goede en nuttige kanten. Allerlei informatie is binnen handbereik via websites als YouTube waarin filmpjes met uitleg of instructies over allerlei onderwerpen makkelijk te vinden zijn. Ook zijn er websites waarop je informatie en tools vindt om jezelf te ontwikkelen en je visie te verruimen. Aan de andere kant brengt het vrije gebruik van de media ook risico’s met zich mee. Er is op het internet bijvoorbeeld allerlei materiaal te vinden wat schadelijk kan zijn voor opgroeiende kinderen. Ook is er een risico voor het opdoen van onveilige contacten. Uitleg, instructie en begeleiding is hierin belangrijk. Kinderen moeten bewust leren omgaan met de media. Ouders worden dan ook steeds meer gewezen op het belang van mediaopvoeding. Maar wat als de ouder dit niet inziet of niet weet hoe hij/zij dit moet aanpakken?

Als hulpverlener (begeleider, verpleegkundige, verzorgende of huishoudelijk hulp) heb je altijd een signalerende functie. Het hangt van je precieze taken af hoeveel je meekrijgt van de verschillende levensgebieden van de cliënt. Als begeleider heb je waarschijnlijk eerder zicht op het gebied van media, maar ook in de andere disciplines kan dit thema ter sprake komen. Het kan zijn dat je signalen tegenkomt die kunnen wijzen op een opvoedingsverlegenheid rondom dit gebied. Of signalen die kunnen wijzen op risico’s voor het kind rondom media.
Voorbeelden van deze signalen zijn:

  • De ouder heeft geen zicht op het mediagebruik van het kind
  • Het kind vertelt over seksueel getinte of gewelddadige beelden op internet
  • Het kind vertelt over contact met onbekende mensen
  • Het kind vertelt over pestgedrag via internet
  • Het kind vertelt dat het foto’s van zichzelf heeft verstuurd, of hier naar gevraagd is
  • Het kind vertelt dat het niet passende (bijv. zeer persoonlijke) informatie heeft gedeeld
  • Het kind spendeert buitenproportioneel veel tijd achter de computer of op zijn telefoon/ andere levensgebieden gaan hieronder gebukt
  • De ouder geeft zijn onzekerheid of twijfels aan over het mediagebruik van het kind
  • Je ziet dat de ouder zelf risicovol gedrag vertoont rondom mediagebruik (bijvoorbeeld persoonlijke foto’s delen met onbekenden) en hierin een twijfelachtig voorbeeld geeft
  • De ouder heeft nog geen gesprek over mediagebruik gehad met het kind, terwijl het kind hier wel actief mee is

Natuurlijk hangt het van de leeftijd van het kind af hoeveel zwaarte er aan de signalen moeten worden gegeven. Tieners en jongeren zijn weerbaarder en bovendien verder in hun ontwikkeling dan jonge kinderen, waardoor ze ook toe kunnen zijn aan bepaalde informatie of thema’s op internet. Dit neemt niet weg dat hier begeleiding in nodig blijft.


Tips voor de begeleiding
Onderstaande tips kunnen je helpen wanneer je als hulpverlener één of meerdere van de bovenstaande risico’s signaleert.

  • Stimuleer het gesprek tussen ouder en kind of ga zelf in gesprek met het kind. Praat over het gebruik van media, wat het kind ziet, wat het kind leuk en interessant vindt en de gevaren die het kind tegen kan komen. Blijf in het gesprek positief en open en geïnteresseerd. Koppel het gesprek met het kind ook altijd terug naar de ouder.
  • Stimuleer de ouder om duidelijke afspraken te maken (of begeleid hen hierin) over welke media wel en niet geschikt en hoeveel tijd een kind mag besteden aan de media. Kies voor opties die aansluiten bij de ontwikkelingsfase. Ook kan je hierbij denken aan afspraken omtrent het delen van foto’s/video’s, contacten, delen van persoonlijke gegevens en aankopen op het internet.
  • Stimuleer de ouder om consequent te zijn in het hanteren van de afspraken en in te grijpen wanneer het kind zich niet goed gedraagt online.
  • Stimuleer ouders om met anderen in gesprek te gaan over mediaopvoeding en laat hen ideeën uitwisselen. Het kan leerzaam zijn om met andere ouders te sparren over dit onderwerp.
  • Blijf in gesprek. Stimuleer ouders om in gesprek te blijven met hun kinderen over de verschillende soorten media en wat ze hierin meemaken. Blijf hierbij zelf ook in gesprek met de ouders over het onderwerp.

Verdieping

  • Op de website van het Nederlands Jeugdinstituut staan per leeftijdscategorie meer adviezen en tips voor professionals en ouders op het gebied van mediaopvoeding. Een aanrader!
  • De NTR-academie heeft in samenwerking met mediacoach Anja Plevier een online cursus ontwikkeld over het thema mediaopvoeding. Deze is geschikt voor zowel hulpverleners als ouders. Je vindt onder andere tips en inzichten over chatten, gamen, cyberpesten en internet & seks/verslavingen. De cursus duurt ongeveer 30 minuten en is kosteloos te volgen.

Verder lezen?
De volgende websites geven je verdere achtergrondinformatie.


 

Update maart 2017: Vanwege een paar drukke maanden eind 2016 zijn er enige tijd geen blogs geweest. Vanaf nu willen we dit weer volop aanpakken!

 

Juni 2016 Participatiemogelijkheden

Participatie
De Nederlandse maatschappij is opgebouwd uit elke individuele inwoner van ons land. Samen vormen we de samenleving. Hoe betrokken of afgezonderd iemand zich hierin ook gedraagt, het is allemaal een soort van deelname, en dus vormgeving aan de samenleving. Het is bijna niet mogelijk om niet te participeren. Het maatschappelijk bewegen hierin – contact hebben met anderen, bijdragen, werken, sporten, recreëren – is wat wordt bedoeld met participatie in de samenleving. Meedoen aan het maatschappelijk leven. ‘Meedoen’, kan in de eigen wijk of stad, in organisaties, onder de eigen sociale contacten, maar ook in het professionele leven door betaald werk uit te voeren.

In de huidige samenleving worden we gestimuleerd om zoveel mogelijk te participeren. De overheid wil de samenleving laten verschuiven van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving. Zo wil de overheid de zorg voor de steeds groter wordende groep bejaarden en chronisch zieken opvangen. Participatie is de eerste stap richting ‘er zijn voor elkaar’. Samen de maatschappij draaiende houden.

Problemen in de participatie
We worden dus vanuit de overheid gestimuleerd om meer te participeren (externe motivatie), maar daarnaast heeft iedereen de behoefte om in contact te staan met anderen en ergens deel van uit te maken (interne motivatie). Door allerlei omstandigheden kan deze behoefte zijn verminderd, maar deze behoefte is in de meeste gevallen nog zichtbaar. Participeren in de maatschappij komt deze behoefte tegemoet. Ook sociaal kwetsbare burgers voelen deze behoefte, maar participeren is voor hen echter niet vanzelfsprekend. Er wordt hiervoor een bepaalde mate van zelfredzaamheid verwacht die voor hen niet vanzelfsprekend is. Burgers kunnen daarin worden ondersteund door voorzieningen op allerlei niveau’s. Eén daarvan is het bieden van individuele begeleiding, verzorging, verpleging of huishoudelijke hulp. Jouw werk als hulpverlener bij Helping Hands werkt dus mee aan het participerend vermogen van de cliënt. Door jouw ondersteuning worden de mogelijkheden van de cliënt om zelf mee te doen in de samenleving vergroot. In deze blog gaan we vooral in op begeleiding op dit gebied. Maar ook in andere zorgdisciplines zou je dit mee kunnen nemen in je werk.

Begeleiding
Burgers kunnen door allerlei beperkingen problemen ondervinden in de participatie. Denk aan een (licht) verstandelijke beperking, een psychiatrische achtergrond of angstproblematiek. Het kan voorkomen dat zo’n burger door de wirwar van regels en mogelijkheden niet zijn weg weet te vinden en gedemotiveerd raakt. Het is dan jouw taak als begeleider om:

  • ten eerste te onderzoeken in welke mate de cliënt de behoefte voelt om te participeren (zie de blog van mei) en hierover het gesprek aan te gaan
  • te onderzoeken hoe het komt dat de cliënt problemen heeft om te participeren (denk dieper dan de logische redenen)
  • samen doelen op te stellen in dit gebied
  • de cliënt te begeleiden om te ontwikkeling hierin

Dit is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Dit kan een langdurig proces zijn met langzame vooruitgang. Toch is dit vaak een belangrijk doel van de begeleiding. Door te participeren worden er vaak meerdere doelen tegelijk vervuld. Bijvoorbeeld: het vergroten van sociale vaardigheden, het opdoen van duurzame sociale contacten of het vergroten van het zelfvertrouwen. Het is goed om samen met je cliënt (en eventueel zorgmanager) na te denken hoe dit een deel kan worden van de begeleiding

Hoe kan je hierin ondersteunen?
Movisie heeft het Participatiewiel ontwikkeld. Deze tool helpt om de participatiedoelen van je cliënt duidelijk te maken en te bekijken waar je op welke manier kunt ondersteunen. We raden je aan om de bijbehorende online (gratis) minicursus te volgen. Ga naar http://movisieacademie.nl/mod/page/view.php?id=3309, maak eenmalig een account aan (zoals eerder aangegeven sowieso een aanrader, er staat meer interessante online cursussen!). Deze cursus duurt 20 minuten. Je zult zien dat er veel connecties te maken zijn met participatiedoelen in je begeleiding.

We zijn benieuwd naar je bevindingen en willen graag meedenken! En natuurlijk zien we dit onderwerp graag terug in het ondersteuningsplan.


 

 

Mei 2016 Vergroten van de zelfregie in de begeleiding

Veel cliënten die ambulante begeleiding krijgen hebben problemen die te maken hebben met het voeren van zelfregie. Zelfregie is zelf richting geven aan je leven, je eigen keuzes maken, bepalen hoe je jouw leven invult op een voor jou volwaardige manier. Ook al moet je hiervoor een beroep doen op anderen. Het is dus iets anders als zelfredzaamheid (zelf kunnen doen). Zelfregie is zelf bepalen.
Problemen in zelfregie kunnen verschillende redenen hebben. Denk aan een psychiatrische stoornis of een jeugd waarin dit niet is aangeleerd. Zelfregie is echter door iedereen te ontwikkelen, zij het in meer of mindere mate. Zoals jullie weten vindt Helping Hands het erg belangrijk dat de focus in de begeleiding zoveel op zelfredzaamheid en zelfregie ligt. Zo is het ondersteuningsplan voor de cliënt hier sterk op gericht. Om je hier verder in te ondersteunen, wordt het proces van zelfregie in deze blog besproken en krijg je tips om je hier meer in te verdiepen. 3

In veel hulpverleningssituaties is de cliënt ontevreden over één of meerdere aspecten van zijn leven. Vaak juist omdat er weinig zelfregie is. De cliënt is niet tevreden maar weet ook niet hoe dit veranderd kan worden. Als begeleider kan je hierin ondersteunen. De eerste stap naar meer zelfregie is motivatie. Voordat er verandering kan zijn is er een drijfveer nodig. In sommige gevallen is er wel veel ontevredenheid, maar weinig motivatie voor verandering. De oorzaak van de ontevredenheid wordt bijvoorbeeld buiten zichzelf gelegd. Dan is de eerste stap om de situatie in kaart te brengen. Waar is de cliënt ontevreden over, hoe zou de cliënt de situatie wèl graag willen zien en waar wil hij naartoe? Zo leg je de focus op de wensen van de cliënt in plaats van dat de verandering wordt opgelegd.

De volgende stap is het teruggeven van de leiding aan de cliënt. Jij bent er om hem te ondersteunen in zijn proces richting zelfregie, maar het blijft zijn proces. Het terugnemen van de leiding kan een grote stap zijn, omdat de cliënt er bijvoorbeeld geen vertrouwen in heeft dat hij de situatie kan veranderen, of dat de situatie überhaupt veranderd kan worden. Als begeleider is het jouw taak om de cliënt in zijn kracht te zetten. Dit doe je door vertrouwen te tonen, nadruk te leggen op krachten/talenten en hem praktisch te ondersteunen in het opdoen van succeservaringen. De focus op de krachten is niet hetzelfde als je ogen sluiten voor de problemen die er zijn. Het is slechts een verschuiving van de focus. In plaats van de mislukkingen en ontevredenheid, wordt de focus nu: wat gaat er goed, wat heb je al onder controle, welke nuttige eigenschappen heb je? Het is belangrijk om dit niet alleen te benoemen, maar ook om samen te kijken hoe dit kan worden uitgebreid of ingezet voor vooruitgang. Deze verschuiving van de focus kan beangstigend zijn voor de cliënt. Hier is ondersteuning en vertrouwen voor nodig. De cliënt moet weten dat de begeleider in hem vertrouwt, maar er ook voor hem is wanneer het niet lukt. Om vervolgens de draad weer samen op te pakken.

Wanneer hij het ziet zitten om dit proces aan te gaan met jou als begeleider, is het goed om de cliënt hierin de leiding te laten nemen. Het is zijn leven, zijn hulpverleningsproces en ook zijn taak om iets in zijn leven te veranderen. De cliënt heeft de leiding en jij volgt. Als begeleider biedt je ondersteuning en eventueel bijsturing, maar de leiding moet bij de cliënt blijven liggen. Natuurlijk zijn er situaties waarin dit niet zo zwart-wit ligt. Bijvoorbeeld bij kinderen of bij cliënten met een gebrekkig zelfinzicht. Dan is er meer bijsturing nodig vanuit de begeleider. Toch blijft het voor iedere cliënt belangrijk om zoveel mogelijk zelfregie te ontwikkelen.
Dit hele proces is natuurlijk een kwestie van makkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt veel moed van de cliënt en in de werkelijkheid is dit proces vaak complex en niet zo eenduidig als hier wordt beschreven. Toch is het altijd belangrijk om de zelfregie zoveel mogelijk als uitgangspunt te houden. Het is voor ieder mens – ook voor cliënten die bijvoorbeeld zwaar beperkt zijn – belangrijk om de regie te nemen over zijn eigen leven. Daarom willen we je als begeleider aanmoedigen om je verder te verdiepen in dit thema. We verwijzen je door naar de website van Movisie Academie, waar je een online mini-cursus kunt volgen over dit thema. Deze cursus is hier te vinden. Er wordt informatie gegeven en er worden meerdere methodes en interventies besproken die je kunt toepassen. Ook wordt er geoefend met een casus. De cursus is gratis en duurt ongeveer 15-20 minuten. De enige vereiste is dat je een account aanmaakt bij de Movisie Academie. Sowieso een aanrader, want ze hebben nog meer gratis online (mini-)cursussen over verschillende thema’s.

Een ander instrument van Movisie is de QueZ-app, een app voor smartphone en tablet. Deze app helpt je om de zelfregie van de cliënt te bespreken en te stimuleren. Je krijgt onder andere ideeën over vragen die gesteld kunnen in een gesprek rondom de eigen regie.


 

April 2016 Ondervoeding (lichamelijke verzorging)

Ondervoeding bij ouderen wordt vaak niet of te laat gesignaleerd”. Dat zeggen onderzoekers aan de Universiteit van Wageningen na interviews met voedings- en zorgprofessionals. Zij publiceerden hierover in het internationale wetenschappelijke tijdschrift BMC Nutrition. Bij één op de drie ouderen die thuiszorg krijgt is er sprake van ondervoeding. Dit tegenover één op de tien ouderen die geen thuiszorg krijgt. Dit is een zeer groot verschil (publicatie: Dutch nutrition and care professionals experience with undernutrition awareness, monitoring, and treatment among community-dwelling older adults- 24 november 2015).

Ondervoeding kan chronisch zijn, dan is er sprake van ondergewicht door meerdere maanden/jaren aan ondervoeding. Acute ondervoeding ontstaat binnen enkele dagen. Beide vormen van ondervoeding kunnen ontstaan doordat de opname van stoffen door het lichaam gebrekkig is, een verminderde inname van voedingstoffen of een verhoogde inname nodig is van voedingstoffen door bijvoorbeeld ziekte.
Wanneer je als thuiszorgmedewerker ondervoeding signaleert is het goed om kennis te hebben over de oorzaken, gevolgen, interventies en preventie.

Oorzaken van ondervoeding kunnen lichamelijk en psychisch zijn. De lichamelijk oorzaken zijn bijvoorbeeld een niet goed passend gebit, blaren of medicijngebruik. Psychische oorzaken zijn bijvoorbeeld eenzaamheid of depressie. Het is dan ook belangrijk om per situatie te kijken wat de oorzaak is. Om dit te achterhalen zal de medewerker in gesprek moeten gaan met de cliënt.
Ondervoeding zorgt ervoor dat de spiermassa achteruit gaat. De kracht in het lichaam neemt af en mensen kunnen zich moeilijker bewegen. De kans op vallen is hierdoor verhoogd. Ook gaat de weerstand achteruit waardoor ziektes sneller toe kunnen slaan. Daarnaast verloopt de wondgenezing slechter. Ondervoeding moet daarom zo snel mogelijk aan worden gepakt. Let op: ook bij overgewicht kan er sprake zijn van ondervoeding!

Verdere verdieping in het thema ondervoeding

  1. Helping Hands heeft een protocol voor ondervoeding. Hierin staat stap voor stap beschreven wat de medewerker kan en moet doen. Er wordt gebruik gemaakt van het meetinstrument SNAQ (Short Nutritional Assessment Questionaire), waarmee men kan meten of er sprake is van ondervoeding of dat er een risico is hierop. Per categorie staat beschreven wat je moet doen. Ook bespreekt het protocol hoe we het traject dan verder in de gaten blijven houden.
  2. In de orthotheek is een uittreksel te vinden van mooi boek over voeding: Voeding bij gezondheid en ziekte (N.E. Stegeman). Hierin staan zowel theorie als praktische aanwijzingen beschreven rondom voeding bij verschillende ziekten en stoornissen.
  3. Aanvullende informatie over eten en drinken in de zorgverlening – en de risico´s hierbij – is onder andere te vinden op de website van Zorg Voor Beter (een kennisplein voor verpleging, verzorging en zorg thuis).
  4. Online scholing over verschillende thema’s rondom eten en drinken in de zorgverlening, is ook te vinden bij Zorg Voor Beter. Hier zijn kosteloze trainingen, lessen, handreikingen en kennisbundels verzameld rondom eten en drinken.

 

 

Oudere blogs worden niet op de website weergegeven, maar zijn wel op te vragen via martine@helpinghands.nl

Eerdere thema’s:

  • Communicatie in de langdurige hulpverlening
  • Rug- en knieklachten (verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden)
  • IAD en decubitus (verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden)
  • Grieppreventie (verpleegkundigen, verzorgenden, helpenden)